Jean Janssen

Jean Janssen: keeper, stadsprins, trainer, kastelein en Opperflaaris

“Als je hem op de bühne zag staan dacht je: dat is een echte heer van standing, maar wie Jean kende wist dat hij een heel gewone jongen was, die het spel uitstekend kon spelen.”

Bron: A&C Media
Datum: 15 januari 2012
Tekst: Ad Hoogenboom en Koos Snijders


Op 17 maart 1997 overleed de wellicht meest gedecoreerde persoon van Limburg. Johannes Gerardus (Jean) Janssen heeft in de provincie een grote naam opgebouwd vanwege zijn vele verdiensten voor de sport en de vastelaovend. Het is onmogelijk een compleet overzicht te geven van zijn doen en laten. In de korte biografie van deze opmerkelijke Gelener plaatsen de auteurs carnaval en voetbal in de hoofdrol. Op 24 maart zag Jean het levenslicht in Oud-Geleen. Vader Hub was landbouwer, moeder Maria Janssen-Dohmen deed het huishouden en hielp haar man bij de akkerbouw. Jean had twee oudere zusters, Maij en Dien. Uit de rapportcijfers van jongensschool St. Antonius bleek dat hij voor de meeste vakken goede punten haalde. Als knul was hij al goed van de tongriem gesneden en kwam ook zijn typerende bravoure regelmatig bovendrijven. Vanaf 1940 bezocht Jean de ambachtsschool in Sittard, waar hij in 1942 het getuigschrift machinebankwerker behaalde. Daarna begon zijn loopbaan als ondergronds mijnmeter bij de Staatsmijn Maurits. Direct na de oorlog stortte Jean zich in het verenigingsleven. Hij werd keeper van Quick ’08, ging zingen bij Zanglust en acteerde bij toneelvereniging Kunst en Vermaak.

Toen in 1947 o.l.v. Gied Joosten carnavalsvereniging De Flaarisse was opgericht, moest de kersverse raad van elf op zoek naar een jonge man die het aandurfde om prins van Geleen te worden. Het oog viel op Jean. Het verzoek zette huize Janssen in de Eindstraat op stelten. Vader vond het prachtig, moeder was faliekant tegen. Het probleem was gelegen in het feit dat ‘ozze jong van Awt-Gelaen’ prins werd bij ‘die van Lötterao’. Hoe dan ook, op 8 januari 1948 maakte een overvol Roxytheater kennis met prins Jean I en begon een ongeëvenaarde carnavals carrière, waarbij hem honderden onderscheidingen uit binnen- en buitenland ten deel zouden vallen. Op de avond van de prinsuitroeping werd voor het eerst het door Jean Savelkoul gecomponeerde lied ‘Gelaen dat wurt ein Waereldsjtad’ gezongen. Na zijn aftreden als prins werd hij eerst ceremoniemeester en vanaf 1952 zelfs president van de vereniging met de titel van Opperflaaris. In deze rol leidde Jean Janssen tientallen jaren de carnavalsvierende Waereldsjtad.

Jean leerde een meisje kennen waarvan hij zelf zei dat zij de mooiste van Sittard was: Agnes Gubbels, door iederen Ai genoemd. In de lente van 1957 trouwde hij met haar in de kerk van Sanderbout. Zij besloten in datzelfde jaar café Waereldsjtad aan de Rijksweg Noord te gaan exploiteren. De gezellige kroeg zou uitgroeien tot een trefpunt voor sociale, culturele, sportieve en politieke activiteiten waar kompels, artsen, middenstanders, amateursporters, profvoetballers, arbeiders, putjesscheppers, aannemers of architecten over de vloer kwamen.

Op zijn zeventiende was Jean doelman in het eerste elftal van Quick geworden. Dat bleef hij twaalf seizoenen, vier keer verdedigde hij het doeal van het Limburgs elftal. In 1955 stopte hij met keepen. “Jeugdvoetval heeft mijn hart gesloten”, verklaarde hij kort daarna tegenover een verslaggever. Wat Jean Janssen voor het jeugdvoetbal in Geleen heeft gedaan, verdient de loftrompet. Als trainer en leider kneedde hij piepjonge spelertjes, als organisator zette hij ieder jaar in april alles op zijn voor de organisatie van het school voetbalkampioenschap van Geleen in het kader van de Oranjefeesten.

Na zijn afscheid bij de Staatsmijnen, kreeg hij van Ai alle vrijheid om zich als trainer te ontplooien. “Doe jij maar”, zei zijn echtgenote, ik verzorg ons café en ga wel achter de tap”. Jean begon als trainer bij Sanderbout en Havantia. IN het Mauritsstation assisteerde hij de hoofdtrainers van Fortuna ’54. Hij raakte bevriend met de profvoetballers die regelmatig naar zijn kroeg kwamen om met hem over voetbal te praten. In ’62-’63 maakte Jean Janssen De Valk uit Valkenswaard landskampioen bij de amateurs, zijn bed als trainer was gespreid. In 1964 dreef hij RFC Roermond op tot een nek aan race naar de titel in de eerste klasse F. Het betaalde voetbal verwelkomde hem van harte en hij debuteerde met succes bij de tweede divisieclub Limburgia, waarna Koning Voetbal hem naar Venlo leidde. In ’66-’67 promoveerde de Gelener met VVV naar de eerste divise. De banen van fulltime trainer en fulltime carnavalist vielen echter nauwelijks of niet te combineren. ’t Was het een of het ander. Hij liet het semi-profvoetbal voor wat het was en vervulde zijn taken als coach bij de amateurclubs Urmondia, PSV ’35, Wilhelmina ’08, VV Waubach, Panningen, Heerlen Sport, SVM, Lanaken, Scharn, het Limburgs elftal, VV Sittard en VV Geleen/Quick ’08. Oefenmeester Jean grossierde in kampioenschappen en promoties. Maar van alle verenigingen was Quick de enige club die hij constant meedroeg ijn zin hart. Oude liefde roest niet. Waar en wie Jean ook traine, van VV Geleen/Quick ’08 is hij tot aan zijn dood blijven houden.

In 1977 haalde zijn schoonbroer en voorzitter Lei Jörissen hem over om Quick onder zijn hoede te nemen. Het nieuws dat Jean Janssen was neergestreken bij VV Geleen verspreidde zich als een lopend vuurtje door de voetbalwereld. Alle Quickers keken vol verwachting uit naar de competitie van 1977-1978, het seizoen dat in het teksten stond van de tachtigste verjaardag van de vereniging.  “We worden kampioen!”. Het zou anders uitpakken. Ondanks zijn allure en frisse zienswijzen en hoe hard hij er ook voor gewerkt heeft, de ultieme droom – kampioen worden met Quick – heeft de trainer niet kunnen verwezenlijken. Niet in het jubileumjaar 1978, ook niet 1979, evenmin in 1980, noch in 1980 en  1982. Bedroefd en teleurgesteld moest Jean in de zomer van ’82 het trainerschap neerleggen. Zijn zwakke gezondheid stond het niet langer toe dat hij zich om ‘zien jonges’ bleef bekommeren. Volledig afscheid nemen van de voetbalsport deed Jean Janssen niet. Hij zou zijn club nog enige seizoenen adviseren onder het motto ‘Einmaol Quicker altied Quicker’.

In de provincie gold de Opperflaaris als een prominente Limburger en was hij bijna 33 jaar lang de onbetwiste voortrekker en ijzersterke charismatische voorzitter van de Samewirkende Limburgse Vastelaovesvereiniginge (SLV). De functies die hij in de bronsgroene carnavalswereld, de voetballerij en het maatschappelijk leven heeft bekleed, zijn gewoonweg ontelbaar. En waar Jean ook kwam, alles draaide steeds om hem, in een mum van tijd was Jean het middelpunt. Altijd was het veni, vidi, vici geblazen: hij kwam, zag en overwon.

Pierre Cnoops zei over hem: “Als je hem op de bühne zag staan dacht je: dat is een echte heer van standing, maar wie Jean kende wist dat hij een heel gewone jongen was, die het spel uitstekend kon spelen.”.

De gewone jongen was in rokkostuum, de muts met veren en een paar medailles een hele, hele, hele grote meneer. In 1972 kreeg hij de erepenning van Geleen uitgereikt, in 1982 ontving hij de medaille van Oranje Nassau in zilver. In 1980 vierde hij het 3 x 11 jaar jubileum als Flaaris. 

1985 was een cruciaal jaar in het leven van Jean. Op 27 januari boden De Flaarisse hem zijn afscheidsreceptie aan in de Hanenhof. Liefst drieduizend mensen complimenteerden de Grote Opperflaaris en zijn liefste Ai. Tijdens de traditionele uitreiking van de Gulden Humor in november nam Jean na bijna 33 seizoenen afscheid als president van de SLV.

De gouden jaren van het café waren nu ook spoedig voorbij. Uiteindelijk besloten Jean en AI de deur van café Waereldsjtad voorgoed op slot te doen. Het paar vond een nieuw onderkomen in een appartementengebouw. Jean’s gezichtsvermogen ging sterk achteruit. Ai overleed onverwacht op 13 april 1992. Hoewel Jean lange tijd door zijn familie en kennissen werd verzorgd, brak toch het moment aan dat hij zijn flat moest verlaten. Hij werd eerst in de Odiliakliniek verpleegd, daarna in de Sint Janskliniek. Jean overleed na een langdurig ziekbed.

Wim Leentjes besloot zijn afscheidsrede bij de begrafenis als volg. “Vandaag numme veer aafsjied van eine gans apaarte minsj, eine eenvoudige man mit ein geweldige oetsjtraoling, eine vrundj veur heel väöle. Es ’t waor is waat Frits Rademacher in zien leedje zingk: Es de ingelkes vastelaovend viere, es det waor is, dan weit ich zeker dat ooze Jean auch hiejbaove veurop zal loupe..’.

Deel deze pagina